In een huis van Johnnie Walker

Maria Louisa De Schepper (°1881), vluchtte vanuit Niel met haar 5 kinderen, waarvan de jongste nog maar een paar maanden oud was, en een kindermeisje vanuit Oostende naar Folkestone. Ze kwamen uiteindelijk in een huis van de Johnnie Walker Distillery in Schotland terecht.

Maria Louisa had voor de oorlog met haar man, Jan August Peeters (°1879), een bloeiende beenhouwerij. Het bedrijfje werkte met elektrische machines, wat toen nog een zeldzaamheid was. Het echtpaar verhuurde ook enkele kleine boerderijen. Op 24 augustus 1914 werd Jan August krijgsgevangen genomen in Namen en naar Duitsland gevoerd. De Duitse troepen bereikten op 3 oktober de Rupel. Maria besloot om met haar kinderen naar Engeland te vluchten. Haar oudere zus Anna, die in Schelle woonde, vergezelde haar met haar twee dochters. In Oostende logeerden ze in Hotel Bristol. Het inschepen voor Engeland verliep druk en chaotisch. Ze raakten met moeite samen op één boot. Na een vermoeiende reis, kwamen ze op 11 oktober 1914 in Folkestone aan. Daar reisden ze al snel door naar Glasgow waar de zussen op 23 oktober opgevangen werden in het Dalbeth Convent. Uiteindelijk kwamen ze in Kilmarnock terecht, 40 kilometer onder Glasgow, waar ze in een huis van de Johnnie Walker Distillery gingen wonen.

Het leven in Schotland was goed. Het echtpaar was van plan geweest een nieuwe beenhouwerij te kopen en Maria Louisa had de helft van dat spaargeld mee. De oudste kinderen gingen naar een Engelse school. Op het einde van de oorlog namen de schoolgaande kinderen de trein naar Galston, negen kilometer verder, waar de koster van Izegem, mijnheer Paret, een schooltje had opgericht voor Vlaamse kinderen. De kinderen herinnerden zich nog de mooie kinderboeken. Op het einde van de oorlog moest de oudste zoon Georges (°1905) uit financiële noodzaak werken in een melkerij.

Tijdens de oorlog kwamen er geregeld soldaten uit de buurt van Niel, Schelle en Boom bij hen hun congé doorbrengen, onder wie Léon, een neef langs vaderszijde. Léon speelde op een mondmuziekje en de kinderen kamden zijn haar. Als de soldaten terug moesten naar het front kregen ze allemaal een fles Johnnie Walker mee. Er was ook contact met andere Belgische vluchtelingen die in de buurt van Kilmarnock woonden. Ook met de lokale bevolking waren er goede contacten. Zo was moeder Maria Louisa erg getroffen toen een Engelse dame verongelukte, waarschijnlijk een dame die voor de vluchtelingen zorgde.

Er is heel wat briefwisseling met de vader bewaard. Er werden vanuit Engeland ook pakjes naar hem opgestuurd. Twee dagen voor de wapenstilstand, stierf hij aan de Spaanse Griep in het Duitse kamp Husum. Moeder verzweeg het eerst nog voor de kinderen. Het moet verschrikkelijk geweest zijn: in Schotland met vijf kinderen, het geld bijna op en thuis een zaak waar ze nu alleen voor stond.

De familie keerde terug met een troepentransportschip. Jozef (°1905) herinnerde zich nog de vele houten stellingen waarop de soldaten konden slapen. De reis duurde tamelijk lang en vond vermoedelijk in februari 1919 plaats.

Terug thuis werden tijdens het werk Engelse liedjes gezongen.

Bron:

Getuigenis Lia Peeters, het verhaal van haar grootmoeder en haar vader Jozef.

Met dank aan Kim Robensyn (Amsab-ISG), interviewer Verhalenverzameldag in het Red Star Line Museum.